‘God staat op de uitkijk’
Brief voor de Veertigdagentijd 2026
Willem Jacobus kardinaal Eijk, aartsbisschop
Broeders en zusters in Christus Jezus onze Heer,
De Veertigdagentijd die op Aswoensdag (18 februari) begint, is een tijd van verstilling, gebed en onthouding. In deze periode proberen we ons zoveel mogelijk te richten op wat er werkelijk toe doet in ons bestaan: onze relatie met de levende Heer en de band met onze medemens – door te geven aan bijvoorbeeld de Vastenactie. We bereiden ons in deze tijd met hart en ziel voor op het Hoogfeest van Pasen. Christus heeft aan het kruis vrijwillig zijn leven gegeven en heeft met dat offer voor ons de weg naar de vergeving van onze zonden geopend: “God echter bewijst zijn liefde voor ons, doordat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren” (Rom. 5,8). Met Pasen vieren we dat Christus de dood heeft overwonnen en ons daarmee is voorgegaan naar het huis van de Vader.
Vervolg
De Veertigdagentijd is een periode waarin we ons extra bewust zijn van het gegeven dat we als christenen ‘in de wereld zijn maar niet van de wereld zijn’ (vgl. Joh. 17,11-16). Het is echter niet eenvoudig om ons los te maken van die wereldse aantrekkingskracht. Die ervaring had ook de heilige Augustinus, die in zijn ‘Belijdenissen’ schrijft over “de gewelddadigheid van de gewoonte, waardoor de geest wordt vastgehouden” (VIII,V,12) en verzuchtte: “… en ik word weer opgezogen door het gewone leven, en het houdt mij vast, en met al mijn tranen blijf ik toch vastzitten. Zoveel betekent de last van de gewoonte” (X,XL,65).
Ons van die last der gewoonte bevrijden, vergt dus inspanning. Ons leven wordt gekenmerkt door een overvloed aan prikkels – zo doet onze mobiele telefoon voortdurend een beroep op onze aandacht en het is moeilijk om ons daarvan los te maken. Maar ook zorgen over het heden en de toekomst kunnen ons beheersen. Want we leven momenteel in onzekere tijden. Veel werknemers ervaren een groeiende onzekerheid over wat de snelle AI-revolutie voor hen zal betekenen – waarschijnlijk zal kunstmatige intelligentie veel banen doen verdwijnen of sterk veranderen.
Ook staat de vrede die we in Europa zoveel decennia als vanzelfsprekend beschouwden onder druk: de oorlog in Oekraïne duurt alsmaar voort, de relatie van Europa met de Verenigde Staten lijkt fundamenteel veranderd en er heerst een groeiend gevoel van mondiale onveiligheid. De afgelopen maanden zijn we er door de overheid dan ook meer dan eens op gewezen dat het belangrijk is om ons voor te bereiden op een eventuele noodsituatie, inclusief tips over de inhoud van een noodpakket om 72 uur mee door te komen. Een gewaarschuwd mens telt immers voor twee en een goede voorbereiding is het halve werk.
Wij christenen bereiden ons in de Veertigdagentijd met een innerlijke oefening voor op het Hoogfeest van Pasen. De Veertigdagentijd, die dit jaar vroeg is gestart, is ook dit keer voor ons een uitgelezen kans om een inwendige voorjaarsschoonmaak te houden. Welke goede voornemens moeten afgestoft worden? Welke mentale rommel die onze opgang tot God in de weg staat wacht nog om opgeruimd te worden? En vooral: waarmee moeten we hoognodig in het reine komen om onze band met God en de medemens te zuiveren?
Het is cruciaal om die laatste vraag eerlijk te beantwoorden, wil de Veertigdagentijd als voorbereiding op Pasen optimaal vrucht kunnen dragen. Welke misstappen hebben we in de afgelopen weken (of maanden of misschien zelfs jaren) onder het tapijt van ons geweten geveegd en liggen daar te wachten tot we ze echt opruimen?
Dit is geen vrijblijvende vraag. De apostel Johannes schrijft in zijn eerste brief niet voor niets: “Vrienden, nu reeds zijn wij kinderen van God, en wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard; maar wij weten dat wanneer het geopenbaard wordt, wij aan Hem gelijk zullen zijn, omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is. Wie zulk een heil van God verwacht, maakt zich rein, zoals Christus rein is” (1Joh. 3,2-3).
Dat rein worden betekent onder meer dat we verantwoordelijkheid nemen voor onze fouten, onze zonden onder ogen durven zien en een beroep willen doen op Gods barmhartigheid. Daartoe heeft Christus ons iets nagelaten: het sacrament van boete en verzoening (de biecht). Dit kostbare geschenk biedt ons mensen de kans om werkelijk schoon schip te maken en de blokkades tussen ons en God en tussen ons en onze medemensen weg te nemen. Tijdens de driejaarlijkse bisdombedevaart naar Lourdes staat ook altijd een viering van barmhartigheid op het programma. Bij de afgelopen edities groeide elke keer het aantal pelgrims dat in die viering (of ook daarbuiten) het sacrament van boete en verzoening ontving. Ik heb dat eerder een ‘cadeautje van Onze Lieve Vrouw van Lourdes aan het Aartsbisdom Utrecht’ genoemd.
Zeker, het ontvangen van het sacrament van boete en verzoening kan de eerste keer onwennig zijn. Het kan moeilijk zijn om die stap te zetten. Onze zonden kunnen zwaar op ons drukken, zo zwaar dat ze ons verlammen. De pijn die we God, onszelf of anderen hebben aangedaan kan zo heftig zijn dat we het moeilijk vinden om die op te biechten.
Hoe zetten we dan met zo’n zwaar gemoed de eerste stap naar bevrijding? De parabel van de verloren zoon (Lc. 15,11-32) kan ons letterlijk op weg helpen. Het verhaal is bekend: een vader had twee zonen, de jongste zoon vraagt op een gegeven moment zijn erfdeel aan zijn vader. Met een goedgevulde geldbuidel gaat hij vervolgens de wijde wereld in. Hij verkwist zijn kapitaal in een losbandig leven totdat hij blut is. En dan breekt er ook nog een hongersnood uit in het land waar hij verblijft. Ten einde raad gaat hij als varkenshoeder aan de slag, maar zelfs de schillen die de varkens eten gaan aan zijn neus voorbij. Dan komt hij tot inkeer en besluit terug te keren naar zijn vader. Hij wil zijn vader vragen om hem als dagloner in dienst te nemen – hij is het voor zijn gevoel namelijk niet meer waard om diens zoon te heten.
Hij reist naar huis en dan gebeurt het: “Zijn vader zag hem al in de verte aankomen, en hij werd door medelijden bewogen; hij snelde op hem toe, viel hem om de hals en kuste hem hartelijk.” Dit tot ongenoegen van de oudste zoon, die vindt dat zijn jongere broer er veel te makkelijk van af komt. Waarom al die heisa? Maar zijn vader is duidelijk: “Er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden.”
Om het sacrament van boete en verzoening te ontvangen, moet je een drempel over – zeker de eerste keer. Maar de parabel van de verloren zoon laat ons zien dat uiteindelijk niet wij de eerste stap hoeven te zetten, dat heeft God al gedaan. Hij staat op de uitkijk, klaar om ons in de armen te sluiten. Dat horen we ook aan het begin van de viering van Aswoensdag: “Heer, Gij zijt vol ontferming voor allen en hebt geen afkeer van wat Gij hebt gemaakt; Gij sluit uw ogen voor de zonden van de mensen om hen tot bekering te brengen. Gij spaart hen, want Gij zijt de Heer onze God” (Wijsh. 11, 24-25,27).
Let wel: het ontvangen van het sacrament van boete en verzoening is geen eindpunt. Het biedt ons de kans op een nieuwe start, een ijkpunt waarop we ons gedrag naar God en onze medemens moeten baseren – handelen vanuit liefde. Liefde moet het eerste en het laatste woord hebben en die woorden moeten we in daden omzetten. Zoals Paulus schrijft in zijn eerste brief aan Timoteüs: “Het doel van het gebod is de liefde, die voortkomt uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof” (1Tim. 1,5).
Ik wens u van harte een gezegende Veertigdagentijd toe, en hoop dat deze periode een tijd van innerlijke vernieuwing mag zijn. U kunt erop vertrouwen dat God al op de uitkijk staat.

.
+ Willem Jacobus kardinaal Eijk,
Aartsbisschop van Utrecht
Utrecht, Aswoensdag 18 februari 2026